Waarom voelt een eigen site niet goed?
Als mediavormgever lijkt het onvermijdelijk om een eigen site te hebben.
Klanten willen zien wat je kunt en of jouw werk past bij hun project of bedrijf.
“Heb je een website waar ik je werk kan zien?”
Uhh.. daar ben ik nog mee bezig.
En daar ben ik al héél lang mee bezig.
Voor 2016 ben ik begonnen aan het maken van een eigen site.
Nu is het begin 2026 en staat er nog niks online.
Ik heb meerdere domeinnamen gehad en ook werk online gezet, maar ik kon geen beeld neerzetten waar ik tevreden mee was. Zodra mijn site, na uren wikken en wegen, richting “af” ging haalde ik het hele ding weer offline.
Dit voelt niet goed.
Dit ben ik niet (meer).
Ik liet het een tijdje rusten, maar wanneer iemand naar mijn werk vraagt, begint dit riedeltje opnieuw.
Sites in opdracht
Waarom lukt het me dan wel om websites voor klanten te maken?
Ik heb meerdere sites voor anderen gebouwd. Een klant komt met de vraag of ik een website kan maken. Ik geef aan dat dat kan, maar dat het afhangt van de wensen. Vervolgens voeren we een gesprek: waar is de site voor, wat is nodig, en voor wie en hoe zetten we dat neer?
Uit wat grove opzetjes bepalen we de route.
Tuurlijk, soms loop je tegen een drempel aan. iets past niet binnen eerdere keuzes, er moet opnieuw worden afgestemd. Soms zet je zelfs een stap terug. Maar uiteindelijk komt de site af.
De klant lijkt tevreden.
Verstoort er iets als ik mijn eigen klant ben?
Wil ik te veel tegelijk?
En wat is eigenlijk het verschil tussen een site in opdracht en eentje voor mezelf?
Afleidingen
Tijdens het proces stuur ik mezelf voortdurend op allerlei sidequests.
Soms zijn dat technische uitstapjes: tutorials, nieuwe mogelijkheden, nieuwe tools.
Het maken van websites is in de loop der jaren enorm veranderd. Als kind type je code in kladblok. Als student werkte ik met Dreamweaver. Later diverse ‘Wysiwyg’-editors zoals deze blokken in WordPress, waar altijd wel om een update gevraagd wordt.
Het bouwen werd steeds makkelijker.
En toch had ik nog steeds geen website.
Daarnaast waren er mentale afdwalingen:
Wat wil ik eigenlijk over mezelf vertellen?
Wat houd ik privé?
Is er werk dat ik liever niet doe en beter niet onder de aandacht kan brengen?
Misschien wil ik mijn hele leven wel privé houden.
Ik voel me gevangen in mijn identiteit. Het wrikt om mijn naam onder dingen te zetten waar ik niet volledig achter sta. En als een site ‘af’ is, voelt dat als een foto van jezelf op de middelbare school. Je bent inmiddels ouder en het is confronterend om je eigen gestuntel live te zien.
Zou ik onder een pseudoniem moeten werken?
Stoppen met verstoppen
Veel kunstenaars zetten hun naam in grote letters op hun site.
Anderen werken onder een pseudoniem of vooral via een collectief.
Wat zal ik doen?
Als vormgever dacht ik dat werken onder een merk of bureaunaam logisch zou zijn, maar dat bracht weer eigen obstakels. Een geboortenaam voelt als een kooi: Je familiegeschiedenis kleeft eraan vast. Een merknaam voelt voor mij te pretentieus.
Een pseudoniem lijkt vrijheid te geven, maar ook daar hangt een eigen gevangenis aan.
Als al deze opties hun eigen vrijheden en beperkingen hebben, dan maakt het misschien ook niet uit hoe het beestje heet. Misschien gaat het simpelweg om zichtbaar zijn.
Een collectief klinkt aantrekkelijk. In een collectief ben je direct onderdeel van een groep en daarmee zichtbaar. Maar mijn hoofd schiet meteen in de aanval. Ik val in de categorie autist met een sociale angststoornis — al zijn ook dat weer labels die hun eigen kooien vormen, en die ik mezelf niet wil opleggen.
Veranderingen
Een beetje gek om in 2026 terug te blikken op de COVID-lockdown, maar ik wil er toch iets over schrijven.
Voor het eerst in mijn leven kon ik ontspannen. Door de rust kon ik dingen op een rijtje zetten. En toen begon alles weer.
Mijn voormalige werkgever in de stand- en evenementenbouw, waar ik als technisch ontwerper vooral aan 3D-impressies werkte, was niet blij met alle veranderingen. Ik paste niet meer in het plaatje. Een werknemer die meer wilde dan onzichtbaar werk achter een computer werd niet gewaardeerd.
Of althans: dat is de conclusie die ik trok toen mij werd verteld dat ik geen hamer mocht vasthouden.
Ik voelde me opeens heel erg vrouw en onzeker in het bouwbedrijf. Ik kwam ziek thuis te zitten. “Neem maar de tijd,” werd er gezegd.
Na twee maanden wilde ik weer aan de slag. Maar er zat inmiddels een nieuwe, mannelijke stagiair op mijn plek. Ik kreeg te horen dat ik niet meer terug hoefde te komen.
Hoewel ik mijn best deed om een spoor 1-traject op te zetten, werd dit niet gewaardeerd. Toen spoor 2 begon, zat ik met te veel zelftwijfel om te solliciteren. Ik rondde in de tussentijd wel een thuisstudie psychologie af.
Eind 2024 was mijn ontslag eindelijk rond.
Sinds 2025 doe ik vrijwilligerswerk in de bibliotheek:
op dinsdag als gastvrouw en op woensdag bij het Talentenlab met kinderen. Daarnaast schreef ik me in bij de Kunstacademie in Haarlem. Ik ben nu halverwege het jaar.
Het is geen collectief, maar vorige week ging ik toch mijn eerste samenwerkingsproject aan.
Beslissingen:
Het is tijd om tóch online te gaan.
Ik weet nu dat ik de kunstacademie ga afmaken. Het is te leuk om te stoppen. Ik ga deze site online zetten en het feit dat ik er niet volledig happy mee ben, neem ik voor lief.
Ik ga publiekelijk oversharen, omdat ik van verhalen houd en van overvolledigheid.
Ik doe dit onder mijn geboortenaam, waar ik nooit echt blij mee ben geweest, maar misschien gebruik ik ook een pseudoniem. Of een merk. Misschien alles door elkaar.
Ik ga samenwerken, mensen leren kennen en mijn netwerk uitbreiden, ook al kost dat energie.
En hoewel ik nog duizend dingen zou kunnen delen. Later is ook goed.

Schrijven is blijven en verstoppen is floppen.